Hoofdmenu
Handboek en Normenboek
zoals van toepassing voor
Moduulvereniging "Het Bollenspoor"
Datum: uitgave 2002
Versie: 2
Bijgewerkt door:
IJsbrand de Wilt
Hans Verweymeren
Michel van Tongeren
Website versie: Wim Boon
Wij heten u van harte welkom bij onze moduulvereniging "Het Bollenspoor".
Om u te ondersteunen bij het bouwen van de module zijn er een aantal normen en vaste maten vastgesteld waardoor een goede treinenloop gegarandeerd is.
Het voordeel van deze normen is, dat u een goede aansluiting op de overige modules heeft en dat uw module niet afwijkt van een exemplaar uit de beginperiode.
Wij wensen u veel succes met de bouw.
De auteurs.
Modulair bouwen
De modelspoormodule is een ontwikkeling die zijn oorsprong vindt in de USA en die is uitgewaaierd over de hele aardbol
Eveneens begon eind jaren zeventig de belangstelling voor het uitbeelden van de Nederlandse Spoorwegen zich hoe langer hoe meer te ontwikkelen
In de moduulvereniging "Het Bollenspoor" vonden beide aspecten van de modelbouw elkaar.
Wat zijn Modules?
Onder een module verstaan we een transporteerbaar gedeelte van een modelspoorweg
Deze wordt volgens zodanig normen gebouwd, dat het naar believen aan andere, volgens dezelfde normen gebouwde modules kan worden gekoppeld
Hierdoor kan er een enorme modelbaan worden gerealiseerd.
De beschreven modulenormen zijn gebaseerd op het tweerail gelijkstroomsysteem.
Een standaard module is 120 cm lang en 60 cm breed
Door deze kleine oppervlakte, waar u tijdens het bouwen aan alle kanten bij kunt komen, is het erg plezierig werken.
Voor het aan elkaar koppelen van modules is het noodzakelijk dat deze zijn gebouwd volgens bepaalde afspraken wat betreft de afmetingen van het bovenblad, de hoogte van het spoor vanaf de grond, de boogstraal, de wissels, enzovoort.
Rechte module
De bak voor de rechte module heeft een lengte van 120 cm en een breedte van 60 cm
Variaties in de lengte en breedte zijn mogelijk en wel zodanig dat de lengte met een veelvoud van 30 cm veranderd kan worden
Breder kan ook, het landschapsaspect komt dan beter tot zijn recht, maar dan is het module wat lastiger te hanteren.
Samengevat:
Lengte 120 cm (+/-
Breedte 60 cm
Hoogte 120 cm (bovenzijde spoorstaaf)
Achtergrond Ja
Aantal sporen 2 + 1
Hartafstand sporen 5 cm
Minimum boogstraal 70 cm
Eindprofiel Vlak
Hoekmodule
De hoekmodule bestaat in feite uit een vierkant van 120 x 120 cm, waarvan de hoekpunten over een lengte van 60 cm zijn afgeschuind
De aansluitvlakken met andere modules zijn zodoende toch weer 60 cm breed
Afwijkingen van deze maten zijn niet geoorloofd
Alleen het zojuist genoemde afschuinen van de hoeken is niet beslist noodzakelijk
Ook een vierkant hoekmodule van 120 x 120 cm is dus mogelijk
Een nadeel is de vervoerbaarheid, een voordeel het grote oppervlak
Het is erg praktisch als het hoekmodule in twee delen gesplitst kan worden.


Vaste Inbreng
Nu kan het voorkomen, dat een aantal modules steeds op dezelfde manier aan elkaar worden gekoppeld, bijvoorbeeld wanneer zij toebehoren aan één deelnemer
Zo'n groot geheel van bij elkaar behorende modules wordt "vaste inbreng" genoemd
De beide uiteinden van de vaste inbreng moeten weer voldoen aan de standaard normen.
BAKCONSTRUCTIE
De hoogte van de spoorrail is vastgesteld op exact 1200 mm ten opzichte van de vloer
Omdat kleine oneffenheden in die vloer ertoe zouden kunnen leiden dat de modules niet waterpas staan en dus niet goed op elkaar zouden aansluiten dienen de poten van de module over een afstand van 5 cm traploos verstelbaar te zijn.
Dat wil zeggen dat de hoogte van de bovenzijde van de spoorrail moet kunnen variëren van 117,5 tot 122,5 cm boven de vloer
De koppeling wordt verstevigd door twee lijmtangen, zij vormen een stabiele, snel aan te brengen verbinding.
ONDERBOUW
Met de term onderbouw bedoelen wij, net zoals bij het grote voorbeeld, de grondslag van ballastbed en sporen
De bovenplaat bestaat uit multiplex of MDF
Het dragend verband bestaat uit verticaal geplaatste multiplex of MDF delen, welke op de hoeken door klossen zijn verstevigd
Om contactgeluiden van rijdende treinen te verminderen en ook om een spoordijk te imiteren wordt de bovenplaat voorzien van zachtboard.
ONDERDELENLIJST
De onderbouw bestaat uit:
HOUT AANTAL LENGTE BREEDTE DIKTE
in cm in cm in cm
Bovenplaat MDF/M.plex 1 120 60 1
Afwerkplaat Zachtboard 1 120 60 1
Langsdrager MDF/M.plex 2 120 12 1
Dwarsdrager MDF/M.plex 2 58 12 1
Klossen Vurenhout 8 12 2,8 4,6
Poten Vurenhout 4 114 2,8 4,6
Middendrager Vurenhout 1 58 2,8 4,6
METAAL AANTAL DRAAD MAAT
in mm
Slotbouten 4 M6 50
Vleugelmoeren 4 M6
Ringen 4 6
Houtschroeven 24 3,5 25
Houtschroeven 8 4,0 40
Draadbussen 4 M8 50
Zeskantbouten 4 M8 80

Alle benodigde onderdelen
MONTAGE
De hoekverbindingen worden gevormd door klossen
Deze klossen komen op één centimeter van het einde van de langsdragers
De kopse-
Vervolgens aftekenen, voorboren, lijm er achter en monteren.
Na montage van de vier hoekklossen worden de klossen gemonteerd die de poten verstevigen, deze komen op 2.8 cm verder naar het midden van de langsdrager te zitten.
De poten die nu tussen de klossen passen zijn 2.8 cm breed zoals staat vermeld in de onderdelenlijst.
Vervolgens tekent u het boorgat af waar de slotbout doorheen moet om de poten te bevestigen aan de bak
Het gat boort u op 5 cm van de onderzijde en 4,2 cm van het uiteinden van de langsdrager.
1 = 1 cm Is gelijk aan de dikte van de dwarsdrager
2 = 2,8 cm De eerste klos
3 = 2,8 cm Is gelijk aan de dikte van de poot
4 = 2,8 cm De tweede klos
5 = 101,2 cm De afmeting tussen de binnenste klossen
Na montage van de klossen komen de dwarsdragers in beeld
Deze monteert u aan de klossen die aan uiteinden van de langsdragers vindt
Nu ontstaat er een raamwerk van
120 cm X 60 cm en 12 cm hoog.
Bovenplaat
Na montage van de langsdragers wordt de bovenplaat aangebracht
Boven op de kopse kant van de klossen en de langs-
Vervolgens schroeft u de plaat er op
De afwerkplaat komt later als u de gaten voor de poten heeft geboord.
Poten
Nu steekt u de poten onder in de bak
De reeds geboorde gaten in de langsdragers kunt u nu goed gebruiken voor de plaatsbepaling van de te boren gaten in de poten.
Na boring en passen van de slotbouten neemt u de poten uit.
In de onderzijde van iedere poot boort u in lengterichting een gat van 9 mm rond en 90 mm diep
Eventueel wordt het begin van dit gat iets verzonken aangebracht, zodat de houtmoer er enigszins invalt
Draai de houtmoer eerst helemaal op de M8 x 80 bout en monteer het geheel met een steeksleutel
De schroefdraad blijft hierdoor onbeschadigd
Als we vervolgens de bout losdraaien, blijft de houtmoer op zijn plaats.
Afwerkplaat
Deze monteert u als laatste met lijm
De plaat dekt op deze manier alle oneffenheden af en geeft een glad oppervlak om op te bouwen.
Eventueel uitstekende delen van de constructie worden glad gemaakt met een grove rasp of vijl, zodat de korte zijden van de module straks goed op de aangrenzende bakken aansluiten
Hiermee is de ruwbouw voltooid en staat het module gereed voor het modelbouwwerk.
SPORENPLAN
We gaan ons nu bezighouden met het sporenplan en het railmateriaal
Er zijn twee alternatieven ontworpen, waaruit u een keuze kan maken.
Sporen 1 en 2 die samen een dubbelsporige hoofdlijn voorstellen.
De uitvoering met dubbelsporige hoofdlijn samen met de enkelsporige zijlijn, spoor 3.
In de onderstaande tekening vindt u alle maten en gegevens die van belang zijn voor het sporenplan.
Voor de sporen 1 en 2 zijn code 100 rails voorgeschreven, uitgevoerd in Nikkelzilver van de merken Peco en Roco, voor het derde spoor kunt u volstaan met code 70.
Wissels:
Wissels zijn alleen toegestaan in de boogstraal van 70 cm en meer, deze norm wordt eveneens gehanteerd voor de boogstralen van de hoekmodule
De juiste radius en type vindt u in de catalogus van de genoemde merken.
Bochten:
De minimum boogstraal op de hoekmodule is 70 cm, dit betekent dat de binnenste boog van de (eventuele) drie sporen vanuit de hartlijn een straal van 70 cm moet hebben.
Het spoor ernaast heeft dan een boogstraal van 75 cm en het buitenste een straal
van 80 cm.
Verder is het aan te bevelen een verkanting van het spoor aan te brengen in de bogen, de maximale hoogte is 1,1 millimeter.
OVERGANG
De overgangsstukken aan het einde van een inbreng zijn samengesteld uit een stukje rail van 204 mm, bevestigd op een stukje zachtboard van 8 mm dikte en 48 mm breed
Er is gekozen voor een lengte van 204 mm, omdat van een overgangssectie extra stevigheid verwacht mag worden
Een standaardstuk vaste rail van een overal verkrijgbaar merk voldoet het beste aan die eis
Aanbevolen wordt Roco nr. 42203 nieuwzilver (4404S) als overgangssectie uitverkoren is.
Wel dienen de secties zo aangepast te worden dat de raillassen geheel ingeschoven kunnen worden
Het doorsnijden van de railschoentjes op de één na buitenste biels aan beide zijden is voldoende
De railsectie wordt vervolgens exact in het midden van de onderplaat bevestigd
Door de breedte van 48 mm is aan elke zijde nog een speelruimte over van 1 mm binnen de afstand van 50 mm hart op hart.


Detailopname van de overgangssectie
Elektronische schakelingen
Om de trein vlekkeloos te laten rijden zijn er enkele elektronische schakelingnormen opgesteld.
Deze schakelingen en doorverbindingen zijn van groot belang en verwacht wordt van u dat u ze stipt opvolgt en volgens de gestelde normen aansluit
Deze strenge afspraken zijn nodig omdat de elektronische gebreken de meeste tijd kosten om te achterhalen en er niet gereden kan worden zolang er een storing zich voordoet.
Beveiliging
Voor het goed regelen van de treinenloop is het noodzakelijk dat er mogelijkheden aanwezig zijn om treinen tijdig tot stilstand te kunnen brengen
Bij het Bollenspoor is gekozen voor het invoeren van een bloksysteem waarbij iedere deelnemer de modules op binnenrijden bewaakt
Elke deelnemer moet hiervoor aan het begin van zijn module een stroomloos te schakelen stuk hebben een dubbele isolatie in de doorgaande hoofdsporen wordt hiervoor gebruikt
Deze railonderbrekingen is tenminste 15 cm en samen met de inrij-
Samen met de module van uw buurman krijgen we zo een stopsectie van plusminus 50 cm
Dit is ruim voldoende om ook treinstellen met stroomafname over meerdere draaistellen te kunnen laten stoppen
De geïsoleerde overgangssecties worden aangesloten op een dubbelpolige schakelaar
Maar het kan bijvoorbeeld ook bediend worden door twee contacten van een sein.

Samengevat:
Een stroomloos schakelbare inrij-
Elk van de sporen 1, 2 of 3 dienen aan elke kant van de inbreng geïsoleerd te zijn
Dus zowel bij de inrij-
De inrij-
We gaan uit van normaal rechtsrijdend verkeer aan de uiteinden van een vaste inbreng.
Het isoleren doet u door het onderbreken van beide spoorstaven, dit kunt u doen door een zaagsnede welke naderhand met een druppel lijm dicht gegoten wordt.
Spoor 1 en spoor 2 worden elk apart op de Centrale Voeding Leiding (CVL) aangesloten
Bij toepassing van een spoor 3 wordt deze op een eigen stroombron/CVL3 aangesloten
De overige sporen (4, 5 en 6) van het module kunt u naar eigen inzicht aansluiten op een eigen voeding, welke we post T noemen.
Bij het leggen van de rails dient u de sporen 1,2 en 3 volkomen van elkaar te isoleren.
Het doorverbinden van de CVL tussen de modules onderling gebeurt met hoofdtelefoonpluggen en contrapluggen (chassisdelen).
Elke CVL krijgt zijn eigen plug deze moet u voorzien van het bijbehorende spoornummer.
CENTRALE VOEDINGSLEIDING
Om het spanningsverlies te beperken wordt voor elk spoor een eigen CVL aangelegd
Deze ringleidingen voor de sporen 1 en 2 zijn verplicht gesteld
Om het spanningsverlies in het systeem zo laag mogelijk te houden gebruiken we installatiedraad met een oppervlakte van minimaal 1,5 mm2.
Vanuit de bedieningszijde gezien monteert u aan de rechterzijde de draden rechtstreeks aan de contrastekker (chassisdeel)
Deze chassisdelen worden, als ze van metaal zijn, gemonteerd in een plaatje van isolerend materiaal, anders krijgen we sluiting tussen de verschillende CVL-
Aan de linkerkant van de inbreng een kroonsteen voor de overgang van soepel snoer naar de pluggen
Hiervoor maken we gebruik van het zogenaamde schemerlampsnoer
De minimum draaddikte van de aders van de snoeren bedraagt 0,7 mm2 (dikker draad is aan te bevelen), het snoer zelf ongeveer 1m lang houden.
Het aansluiten van de CVL aan de telefoonplug gebeurt volgens een vaste regel
De punt van de telefoonplug is met een rode draad verbonden met de spoorstaaf aan de bezoekerszijde
De spoorstaaf aan de bedieningszijde wordt via een zwarte draad met het lijf van de plug verbonden
Om "storingzoeken" te vergemakkelijken is deze kleurcode afgesproken
De kleuren worden op markante punten met een verfstip op het schemerlampsnoer aangegeven.
De telefoonpluggen en contrastekkers merken met de nummers van de
desbetreffende sporen 1,2 of 3.

UITBREIDINGSMODUUL
Bij een vaste inbreng die bestaat uit minimaal twee modules, waar rangeermogelijkheden aanwezig zijn, is het raadzaam om een omschakeling te maken tussen de Centrale-
Deze schakeling wordt alleen gebruikt voor het spoor met de aftakmogelijkheid.
Met rijden op post T wordt bedoeld rijden op het eigen module met eigen rijregelaar, terwijl het treinverkeer op de doorgaande sporen bediend wordt via de een CVL.
Bij rijden op post T mag het CVL circuit niet beïnvloed worden.

CVL MODUUL
Voor een vaste inbreng met een aftakking op beide sporen is een CVL-
Extra voedingspanning
Bij grotere module inbrengen waar veel rangeer of opstelsporen aanwezig zijn is het zinvol om extra telefoonpluggen en chassisdelen te monteren.
Deze gebruiken we dan om het aparte CVL circuit te voeden door de eigen post T.
We passen dan sturing door post T afgekort SPT toe.
Dit wil zeggen dat het gehele spoor 1 (of spoor 2 ) naar het kopstation toe bediend wordt door de eigen rijregelaar.
Het andere spoor kan dan door een ander module van de SPT spanning worden voorzien.
De extra pluggen dienen duidelijk gecodeerd te worden met SPTI en SPT2.
Normaal zijn deze stekkers niet ingeplugd.
Ook de bedrading hiervan dient voldoende dik uitgevoerd te zijn met het oog op spanningsverlies.
De regelaar gaan we zo aansluiten, dat normaal rechtsrijdend verkeer op de hoofdsporen mogelijk is.

Netspanning 230 ~Volt
De sterkstroominstallatie zorgt voor spanningtoevoer naar de trafo's van de deelnemers voor wisselbediening, treintrafo's, lichttrafo's voor de halogeenspots en dergelijke.
Om een wirwar van verlengsnoeren op de grond te voorkomen is elke module voorzien van een vast gemonteerde wandcontactdoos met rand-
De doorverbinden naar de aangrenzende module doet u met een snoer met een stekker.
De bekabeling dient te bestaan uit drie aderig snoer of installatiedraad in een PVC-
Vanuit bedieningszijde gezien komt de wandcontactdoos aan de rechterzijde en het 1meter lang snoer met geaarde stekker aan de linkerzijde van de module.
Past u op! We hebben het wel over het normale spanningsnet en dus niet ongevaarlijk.
Het spreekt dan ook vanzelf dat de algemene installatievoorschriften door u als bouwer zorgvuldig in acht genomen moeten worden.
Daarom is het niet toegestaan om via twee stekkers de wandcontactdozen met elkaar te koppelen of open contacten te hebben.
Worden deze onregelmatigheden aangetroffen tijdens een rijdag dan zal uw module worden verwijderd.
BOVENLEIDING
Bovenleiding is niet verplicht, maar voor het imiteren van een stukje Nederlands spoorlandschap is het bijna niet meer weg te denken.
Om de bovenleiding werkelijkheidsgetrouw te maken en om een koppeling tot stand te brengen met het module van een andere deelnemer, dient u zich aan een paar afspraken te houden.
•Aan de uiteinden van een vaste inbreng past u altijd een "Sommerfeldt" (nr. 570) portaal of mast toe.
•De afstand van de uiterste portalen tot modulezijkant bedraagt 150 mm, zodat de overgangs-
•De onderlinge portaalafstand wordt 30 cm zodat bij gekoppelde modules van 120 cm en 60 cm lengte een eenheid ontstaat met die van de overgangssecties.
•De bovenleidingdraden van de overgangssectie kunnen het beste uit de Sommerfeldt-
Deze zijn namelijk gelast en zullen ook bij herhaald gebruik niet snel stuk gaan, iets wat met zelfgemaakte bovenleidingdraden wel vlug zal gebeuren.
•De bovenleiding is optisch functioneel, elektrisch echter niet.
•Wat betreft de bovenleiding op de rest van uw module bent u vrij in de keuze, hetzij klaarkoop, hetzij eigenbouw, mits de positie van de rijdraad ten opzichte van het eronder gelegen spoor voldoet aan de NEM normen.
•De rijdraadhoogte bedraagt in het algemeen 69 mm.
•De rij en draagkabels bij voorkeur uitvoeren in 0,7 mm draad.
•De hangdraadjes 0,4 mm.

Presentatie
Als u nu klaar bent met de assemblage en montage van uw bak en u heeft al uw creativiteit gestopt in de scenery dan is het zonde als deze niet op zijn voordeligst wordt gepresenteerd.
Dit kan door een goede verlichting, een frieslijst een achtergrond en natuurlijk een mooi afgewerkte voorzijde.
Aan al deze zaken is bij "het Bollenspoor" al veel aandacht besteed en u kunt met behulp van de onderstaande normen uw module tot een plaatje maken.
Fronten
Bij rijden met publiek dient uw module aan voorzijde voorzien te zijn van twee schotjes van 59 cm breed en 110 cm hoog, welke Bollenspoor blauw geschilderd zijn.
Deze ontnemen de toeschouwer het zicht achter de "coulissen" waar veelal de bedrading zichtbaar is.
Verlichting
Voor een goede verlichting worden halogeen lampen gebruikt deze bevestigt u aan de frieslijst met de onderstaande metalen beugels.
Dit is een degelijke verbinding die tijdens het transport niet beschadigd.
Halogeen Fitting (Rond)
Halogeenlamp max.20 Watt. 600 50-
Dubbele koppelmof PVC 50 mm
Aluminium strip 15 x 175 x 2 mm
2 bouten 3 x 10 mm (verzonken)
4 moeren M3 zeskantig
Lamp met Bison Tix inlijmen.
Dubbele moer fixeren met secondenlijm.
Kern verbindingskabel tenminste 2,5 mm2.
Verbindingsstekkers banaanstekker 3 mm, male en female.

Frieslijst
De frieslijst geeft het geheel een theatraal uiterlijk en is gelijk de verlichtingsdrager.
Zonder deze lijst is de module "niet af".

De achtergrond
De achtergrond ook wel skyboard genoemd, is van cruciaal belang bij de totale presentatie.
Zonderis de module een soort doorkijk wat de aandacht op uw werk niet ten goede komt.
Wilt u van uw module een geheel maken en de presentatie optimaliseren dan is een goede achtergrond die overloopt in de scenery een must.
Binnen de vereniging is een standaard achtergrond ingesteld die achter elke module geplaatst kan worden en die de "luchttint" laat doorlopen.

Transport
Voor het transporteren van uw module is het raadzaam om een kap te maken uit triplex van 4 mm dik.
Deze kap bestaat uit twee platen van 35 X 120 cm en een plaat van 60,8 X 120 cm.
De platen worden aan elkaar verbonden door vier hoekprofielen van 120 cm lang en die een breedte hebben van vier centimeter.
Deze profielen boort u door en door zodat deze geplaatst kunnen worden op de lange zijden van het plaatmateriaal met boutjes en moeren M6.
Zo ontstaat er een stevige hoek met aan de binnen-
De kopse einden van de module blijven open, dat is handig voor vervoer en het oppakken.
De kap wordt aan de zijkanten van de module bevestigd met de slotbouten die gebruikt worden om de poten mee vast te zetten.
Handig is het om ook de zelfde gaten te gebruiken die al in de module zijkant zijn geboord.

Eindresultaat
Een aantal modules aan elkaar waarover lange treinen zonder problemen rijden
Foto: IJsbrand de Wilt